Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD8951

Datum uitspraak2002-06-25
Datum gepubliceerd2002-06-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01872/00 P
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Mr. Fokkens Nr. 1872/00/P Zitting 29 januari 2002 Conclusie inzake: [De betrokkene] 1. Aan veroordeelde is op 19 juli 1999 door het Gerechtshof te Amsterdam de verplichting opgelegd, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aan de Staat te betalen een bedrag van tweemiljoeneenhonderdduizend gulden, te vervangen door 72 maanden hechtenis. 2. Deze zaak hangt samen met die tegen [medebetrokkene] (nr. 1871/00/P) waarin ik heden eveneens conclusie neem. 3. Middelen van cassatie zijn niet voorgesteld. 4. De bestreden beslissing kan niet in stand blijven wegens gebreken in de motivering waarmee het Hof diverse verzoeken om getuigen ter terechtzitting te horen heeft afgewezen. Ik verwijs voor een nadere uiteenzetting van de gebreken naar de conclusie in de samenhangende zaak welke conclusie aan deze is gehecht. 5. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof ten einde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

25 juni 2002 Strafkamer nr. 01872/00 P SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 juli 1999, nummer P.48-96, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [de betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedatum] 1955, wonende te Israël. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 februari 1996 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 2.100.000,=, subsidiair 72 maanden hechtenis, met afwijzing van het meer of anders gevorderde. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan. 3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak De betrokkene heeft op 26 juli 1999 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 13 april 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 5 juni 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. 4. Slotsom Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; Vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 920.000,= bedraagt; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 juni 2002.